Zoeken
  • Ronald Hünneman

Mogen wij halfbloeden ook wat zeggen?

Het kan namelijk wel, hoor. Gewoon samen door een deur. Samen dansen. Samen seksen. Samen kinderen krijgen. Samen kinderen opvoeden. Samen oud worden. Samen huilen om de dood van zwarte, witte en menggekleurde familieleden.

Mijn zwarte vader heeft mijn witte moeder niet verkracht. Mijn witte moeder wilde geen zwarte man omdat hij atletischer en sensueler was, een trofee om later in te ruilen tegen een witte, goedverdienende kantoorklerk. Ze hebben elkaar gewoon op dansles ontmoet en raakten verliefd, kozen elkaar. Tegen de klippen op. Ondanks adviezen om het verstandiger, meer in lijn met hun afkomst, aan te pakken. Ondanks dat mijn vader nooit hogerop kon komen bij de Koninklijke Shell.

Als kind wist ik niet van wit en zwart. Ja, ik had een witte en een zwarte oma. En af en toe zaten er donkere ooms in de kamer, zo donker dat ik nauwelijks naar binnen durfde. Maar mijn bleke opa in Friesland was ook best een enge man. Natuurlijk, soms waarschuwde mijn vader: “Pas nou op, want als je in een groepje iets verkeerds doet, onthouden de mensen jouw zwarte kop.” En als mijn lichtere broer en ik samen met mijn moeder over straat liepen riep ze wel eens lachend naar een buurvrouw: “Ja hoor, deze is van de melkboer.” Maar wat wist ik van wit en zwart? Niets. Zelfs niet toen kinderen “zwarte”, “koffieboon” of “pinda” begonnen te roepen. “‘Zwart’ is geen scheldwoord,” zeiden mijn ouders, “Het is wat je bent. Net zoals intelligent. En het is toch ook niet erg als mensen ‘Hé intelligente!’ roepen?”

Het werd lastiger toen ik als vijftienjarig jongetje door de politie werd klemgereden, hardhandig tegen de muur gezet en gefouilleerd. Mijn vader wilde de politie in Zaandam aanklagen. Maar ja, ik was rechtsaf door het rode licht gefietst. Toch? Als je de discotheek niet in mocht, terwijl de rest van je basketbalteam al binnen zat, wachtte je gewoon tot er een teamgenoot naar buitenkwam om te kijken waar je bleef. Samen kon je soms wel naar binnen. En als de wiskundeleraar riep: “Ik snap niet waarom ze jou met spiegeltjes en kraaltjes uit het oerwoud hebben gelokt,” dan was het gewoon een goede grap, want je had een grote bek. Net als The Greatest.

En thuis was er niets aan de hand. Geen botsing der culturen. Gewoon Lego, zondagsschool, worteltrekken en machtsverheffen, de Kijk en de Eppo, Een van de Acht, het cryptogram op zaterdag, en nasi of boerenkool met sambal. Ouders die mopperden, lachten, zoenden en ruzieden. Een kleurloos bestaan, al was het vreemd dat mijn lichtere broer van onze zwarte oma meer geld voor zijn verjaardag kreeg dan ik. Mijn ouders beloofden dat ze het recht zouden zetten. Het was ook wel pijnlijk dat mijn vader zo geraakt was toen hij als vrijwilliger bij de hockeyclub lichtmasten installeerde, en passerende voetballers “Hé zwartwerker! Ga in je eigen land bijbeunen!” riepen.

Als je later als enige van de busreis bij de grens weer al je bagage moet openmaken, als je samen met je broer bij de disco wordt geweigerd omdat er al teveel Marokkanen binnen zijn, als een wildvreemde moeder aan haar kind uitlegt dat je het knechtje van sinterklaas bent, als je als enige van je collega’s “allochtoon” kunt aankruisen, als de bezoeker op jouw kantoor weigert te gaan zitten voor zwartjes, als de portier van het hotel in Dresden je waarschuwt om met zo’n kleur vooral niet alleen de stad in te gaan, als een recensent schrijft dat je een racist bent die zich achter zijn Indische achtergrond verschuilt, als je je met terugwerkende kracht afvraagt wat die man bedoelde die zei dat voor blanken het racisme in New York geen probleem is,... dan begint door te dringen dat zwart geen kleur is, maar een waardeoordeel. Net zoals wit, maar dan met de tegenovergestelde waarde. Dan valt op hoeveel witte mensen “All Lives Matter” schrijven. Zouden ze werkelijk niet door hebben dat we “Black Lives Matter TOO” bedoelen, en niet “Only Black Lives Matter”? Zouden ze werkelijk niet weten dat hun ouders mensen als mijn vader terug naar hun eigen land wensten? Dat hun ouders het huwelijk van mijn moeder en vader bespottelijk hebben gevonden? Dat ze onbewust denken dat zwarten goed zijn in atletiek en slecht in wiskunde? Dat het geen grap is dat Nederlanders in de jaren na de tweede wereldoorlog meer dan honderdduizend, honderdduizend!, Indonesiërs hebben afgeslacht omdat die zwartjes hun land terug wilden? Dat...

Vlak voor zijn overlijden heb ik samen met mijn vader met betraande ogen gekeken naar de verkiezingsoverwinning van Obama. “Nu gaat het goed komen, Ron,” zei mijn vader. Het. Het gaat goed komen.

Niet lang daarna stapte het CDA in de regering met de PVV, werd ik door de politie in Groningen klemgereden en door drie man omsingeld omdat ik “te gevaarlijk door oranje” fietste, begon Thierry Baudet te schrijven over de blanke kern van het westerse denken en won Trump de verkiezingen.

Ik heb mij nooit gediscrimineerd gevoeld. Ik heb mij zwart gevoeld. En wit. Ik beheers de Nederlandse taal en ben een meester in wiskunde en logica. Niemand gaat mij knechten. Maar ik schaam mij voor mijn moeder, omdat ik niet heb deelgenomen aan de Black Lives Matter demonstraties, terwijl ze me meer dan eens op het hart drukte dat iedere generatie gelijkheid opnieuw moet bevechten. En ik schaam mij voor mijn vader omdat ik blij ben dat mijn kinderen hartstikke wit zijn, niet uitgescholden worden, nooit in discotheken geweigerd worden en vriendelijk door de politie te woord worden gestaan. “Rij jij maar,” zei ik lachend tegen mijn zoon toen we met mijn oude auto de grens overstaken.

Toch kan het wel, als ik mijn ouders mag geloven. Een samenleving waarin huidskleur een oninteressant gespreksonderwerp is.

32,433 keer bekeken8 reacties

© 2016 by LIATURCHES Proudly created with Wix.com

  • Google Clean
  • Twitter Clean
  • Facebook Clean